Baron Jacquesstraat

 

 

Baron Jacques (°1858 Stavelot - +1928 Elsene) onderscheidde zich als generaal tijdens WOI. Hij is evenwel omstreden omwille van de rol die hij speelde bij de rubberwinning ten tijde van de Congo Vrijstaat van Leopold II. Jacques zou in totaal 4 termijnen voor de Congo Vrijstaat dienen.

In 1937 werd op vraag van de Koloniale Kring door het toenmalige stadsbestuur een straat naar hem vernoemd (ter vervanging van de vroegere Gasmeterstraat). Dit kaderde binnen een bredere lobbyactie van kolonialen die als doel had om mogelijk straten vernoemd te krijgen naar deze vaderlandse ‘helden’.

‘Tableau d’honneur’ (detail) van de Halse Koloniale Kring, 1927 (met foto’s van o.m. Leon Van Stalle, Baron Jacques de Dixmude, Jules Sauvage (oprichter van de Halse koloniale kring) en Frans Vanvolsem). © Streekmuseum Den Ast.

 

 

 

Deelname aan de tweede antislavendrijverscampagne (1887-1894)

Op het einde van de 19de eeuw heerste er een ware competitie om de Afrikaanse binnenland. Afrika was vooral interessant om de politieke en economische macht van de koloniserende machten te oten. De strijd tegen de Islamitische slavendrijvers die door de Kerk werd georganiseerd, werd als excuus gebruikt om het continent militair binnen te vallen. Jacques werd aangesteld als leider van de tweede campagne.

Er ontstond een complexe situatie van tegenstrijdige belangen.  De slavendrijvers moesten worden bestreden, maar tegelijkertijd werd er om economische redenen samengewerkt. Jacques had het hier moeilijk mee en focuste zich voornamelijk op het bestrijden van de slavendrijvers.  Dit bracht hem meermaals in de problemen bij zijn oversten omdat hij daardoor de economische belangen schaadde en het bestuurlijk evenwicht in de regio ondermijnde.

Verblijf in het rubberwingebied Lac Leopold II (1895-1898)

Tussen 1895 en 1898 werd Jacques als commissaris aangesteld in het Lac Leopoldgebied, een district binnen het Kroondomein van koning Leopold II. Hij moest er het immense gebied in kaart brengen met het oog op invoering van de rubberbelasting. Deze belasting in natura verplichtte de plaatselijke bevolking om het sap van de ‘wilde’ rubberlianen af te tappen. Het winstgevende product werd onder meer gebruikt om de net uitgevonden opblaasbare rubberband mee te maken.

Frustraties over een gebrek aan middelen enerzijds en zijn loyaliteit als koloniale ambtenaar anderzijds resulteerden in een groeiende autoritaire en gewelddadige aanpak.  Zijn taak als militair-ambtenaar (districtscommissaris en rechter) botste niet alleen met de opgelegde dwang om steeds meer rubber te produceren, maar ook met de mogelijke morele inmenging van de missies. Vandaar dat hij tijdens zijn dienstperiode de komst van missies in zijn district tegenhield: “… de dag dat daar missionarissen zullen gevestigd zijn, zullen wij de inlanders niet meer tot arbeid kunnen dwingen!”

Het behalen van quota was het allerbelangrijkste en om deze te behalen werd dwang en geweld gebruikt: gijzelnemingen en strafexpedities waarbij dorpen worden platgebrand zijn geen uitzonderingen. Na 1 jaar werd zijn optreden door zijn overste in vraag gesteld omwille van een overmatig gebruik van geweld. Het leverde Jacques een berisping op. De gebruikte methodes zelf werden door het koloniale bestuur evenwel niet in vraag gesteld. Binnen de context van het rubberregime was Jacques eerder regel dan uitzondering.. Hij maakte deel uit van een systeem dat stond voor de maximale ontginning van grondstoffen tegen een minimale kost.

Door werkweigering en het boycotten van de rubberexploitatie zag Jacques zich verplicht in augustus 1897 een strafexpeditie uit te voeren: “…het dorp telt 112 lamzakken,… als ze niet gewerkt hebben zal ik ze een pak rammel geven!”.

Het aantal doden werd niet geteld, wel de verschoten kogels (tijdens de strafexpeditie werden 2016 kogels verschoten). Léon Fiévez (°Havré), commissaris in het Evenaarsdistrict, had reeds in 1895 het systeem van de ‘afgehakte handen’ ingevoerd: per gedode ‘opstandeling’ (en dus in principe één gebruikte kogel) moest één rechterhand ingeleverd worden (op die manier probeerde men discipline bij de soldaten aan te leren en misbruiken te voorkomen).

Jacques in een lastig parket: de zaak Leyder

Jacques zal voornamelijk herinnerd blijven door een veelvuldig geciteerde instructie aan één van zijn ambtenaren, Mathieu Leyder.  Deze laatste gebruikte deze instructie om zich te verdedigen als hij zich voor de rechtbank moest verantwoorden voor moord. Het was niet uitzonderlijk dat koloniale ambtenaren zich verdedigden door te stellen dat zij enkel de instructies van hun overste uitvoerden. Wat wel opvallend is, is de zeer harde toon die lijkt aan te zetten tot een regelrechte repressie. Jacques zal later duidelijk een hand boven het hoofd gehouden worden. Veel belastende historische documenten zijn verdwenen.  Zelfs de fotokopie van de originele instructies is sinds kort onvindbaar.

Jacques tijdens WOI

In 1913 werd Jacques luitenant-kolonel benoemd bij het 19de  Linieregiment in Luik. Nog geen jaar later, net voor de inval van de Duitsers, werd hij bevorderd tot kolonel.

Jacques wist nabij de steengroeve van Sart-Tilman heel even de opmars van de Duitsers tegen de Luikse fortengordel te stoppen. In 1914 nam hij deel aan de militaire campagnes bij Over-de-Vaart nabij Haacht, in Antwerpen en in Lokeren. Vanaf oktober verdedigde hij de stad Diksmuide waarbij hij gewond raakte. In 1916 werd hij bevorderd tot luitenant-generaal, de tot op één na hoogste graad in het Belgisch leger. Hij voerde het bevel over de 3de  legerdivisie (o.m. in de slag om Merksem 17 april 1918) en voegde zich tijdens het herfstoffensief bij de geallieerde opmars.

Op 15 november 1918 ontving hij van koning Albert I de titel van Baron Jacques de Dixmude.

Na WOI

Na WOI trad een geheugenverlies op en werden misdaden tegen de Congolezen door koloniale militairen of staatsambtenaren ten tijde van ‘Kongo Vrijstaat’ geminimaliseerd. België had helden nodig. Militairen die zich tijdens WOI onderscheidden, maar een dubieus koloniaal verleden met zich meedroegen, zagen zich zo wit gewassen. In 1919 werd Alphonse Jules Jacques voorzitter benoemd van de Royal Union Coloniale, een Belgische federatie van koloniale verenigingen bestaande uit oudgediende militairen van de ‘Kongo Vrijstaat’. Er waren meer dan 50 plaatselijke en regionale aangesloten kringen. Eén jaar later werd in Halle de Cercle Colonial de Hal opgericht, met als leuze “Le Congo à nous, rien  qu’à nous!”. Ter gelegenheid van de oprichting overhandigde Jacques  een koloniale vlag aan de Halse Kring. 

Officiële inhuldiging van het Monument voor de Kongopioniers in het Halse Stadspark 1932, met een toespraak van burgemeester De Maeght op een tribune met de Koloniale Vlag. © Averechts.

 

Ook met het stadsbestuur zijn er verschillende contacten. Zowel in 1920 als in 1925 tekende baron Jacques het guldenboek van de Halse burgemeester Karel Nerinckx.

De figuur van Baron Jacques heeft niet enkel een sterke connotatie met het koloniale verleden, maar ook met de Eerste Wereldoorlog. Het is vooral dankzij deze rol en de patriottistische context na de oorlog dat er verschillende straten en monumenten naar hem zijn genoemd in onder andere Brussel, Diksmuide, Hoeilaart en Luik. Daarbij is zijn rol in de kolonie onderbelicht gebleven.  Om hieraan tegemoet te komen en uit respect voor de slachtoffers werd op 21/03/2018, de internationale dag tegen racisme en discriminatie, er een duidingsplaatje bij het straatnaambord geplaatst met als vermelding: Baron Jacques (°1858 Stavelot /† 1928 Elsene) onderscheidde zich als generaal tijdens WOI. Hij is evenwel omstreden omwille van de rol die hij speelde bij de rubberwinning ten tijde van de Kongo Vrijstaat van Leopold II.

 

 

Andere afbeeldingen