Sint-Rochus

Ooit het Molokai van Halle

Sint-Rochus is een van de grootste stadswijken van het land.  Met zijn ruim 9000 inwoners telt de wijk zelfs meer mensen dan de gemeenten Pepingen, Herne of Galmaarden.  Wanneer is de wijk ontstaan en hoe groeide ze?  We doken de geschiedenis in.

Verbannen uit de stad
Sint-Rochus is de patroonheilige tegen de pest en de cholera.  Zijn naam is niet toevallig voor deze wijk gekozen.  Vroeger verbande men Hallenaren met een zwaar besmettelijke ziekte uit de stad om te voorkomen dat ze anderen zouden besmetten.
De zieken werden opgevangen in de Halse leprozerie.  Die bevond zich in de buurt van de huidige Sint-Rochusstraat en de Vogelpers.  In de leprozerie leefden de patiënten in quarantaine en zo ontstond na verloop van tijd een bijzondere gemeenschap.

Om ervoor te zorgen dat het aantal besmettingen onder controle bleef, werd in de leprozerie de heilige Sint-Rochus aanbeden.  In 1626 werd ter ere van hem een kapel gebouwd, even buiten de Bospoort en dicht bij de historische stadskern.  Later, in 1847, verhuisde deze kapel naar de Sint-Rochusstraat waar ze zich nog steeds bevindt.

Transformatie
Aanvankelijk was Sint-Rochus zeer landelijk, maar daar kwam in het begin van de 19de eeuw verandering in.  Door de aanleg van het kanaal naar Charleroi (1828-1832), de provincieweg naar Nijvel (1836-1837) en de spoorweg Brussel-Tubeke (1840) met het daarbij horende station, trok de wijk steeds meer bewoners aan.  In 1910 besliste pastoor Bernaerts dan ook om er een volwaardige parochie van te maken.

In 1928 werd de eigen parochiekerk ingewijd.  En Sint-Rochus zelf?  Die ziet dat het er nog steeds goed vertoeven is.